Winterdienst en arbeidsveiligheid in regen, sneeuw en ijs
Regen, sneeuw, ijzel en vorst kunnen op en rond het bedrijfsterrein snel voor gevaarlijke situaties zorgen. Gladde looproutes, parkeerplaatsen, laad- en loszones en entrees vergroten het risico op valpartijen en ongevallen.
Een goed georganiseerde winterdienst helpt bedrijven om risico’s tijdig te herkennen en passende maatregelen te nemen. Denk aan het controleren van het terrein, het sneeuwvrij maken van looproutes en het gebruik van geschikte strooimiddelen.
Maar wie is verantwoordelijk voor de winterdienst? Welke maatregelen zijn nodig op een bedrijfsterrein? En hoe legt u vast dat de juiste stappen zijn uitgevoerd?
Op deze pagina leest u waar u tijdens de winterdienst op moet letten, hoe u gladheid voorkomt en hoe u de arbeidsveiligheid bij regen, sneeuw en ijs verbetert.
Welke Nederlandse regels gelden voor winterdienst en arbeidsveiligheid?
De Nederlandse wetgeving schrijft niet voor ieder bedrijf dezelfde vaste winterdienstregeling voor. Wel moet een werkgever zorgen voor veilige en gezonde arbeidsomstandigheden. Dat betekent dat risico’s door regen, sneeuw, ijs en gladheid moeten worden herkend en zoveel mogelijk worden beperkt.
De maatregelen die nodig zijn, hangen af van de situatie. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van het bedrijfsterrein, het aantal medewerkers en bezoekers, de verkeersstromen, de ondergrond en de weersomstandigheden.
Welke maatregelen zijn belangrijk bij winterse omstandigheden?
Bij regen, sneeuw, ijzel en vorst is het belangrijk dat u het bedrijfsterrein regelmatig controleert. Besteed daarbij extra aandacht aan looproutes, trappen, hellingen, parkeerplaatsen, laad- en loszones en entrees.
Zorg ervoor dat medewerkers, bezoekers en leveranciers het terrein zo veilig mogelijk kunnen betreden en verlaten. Maak looproutes, toegangen, nooduitgangen en vluchtroutes tijdig sneeuw- en ijsvrij. Plaats strooimiddelen op goed bereikbare en logische locaties en wijs een verantwoordelijke aan voor de uitvoering van de winterdienst.
Leg vast wanneer het terrein is gecontroleerd en welke maatregelen zijn uitgevoerd. Informeer medewerkers over gladde zones, tijdelijke afzettingen en aangepaste looproutes. Gebruik waar nodig waarschuwingsborden, afzettingen en antislipvoorzieningen.
Stem de maatregelen af op de risico’s die in de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) zijn opgenomen. Ook tijdelijke risico’s, zoals gladheid bij een entree of op een parkeerplaats, verdienen aandacht.
Wie is verantwoordelijk bij een ongeval door gladheid?
Wie aansprakelijk is na een ongeval door gladheid, hangt af van de omstandigheden van het geval. Belangrijk zijn onder andere wie het terrein beheert of gebruikt, of het risico op gladheid voorzienbaar was, of het terrein voldoende is gecontroleerd en of passende maatregelen zijn genomen.
Ook speelt een rol of medewerkers en bezoekers tijdig zijn gewaarschuwd en of is vastgelegd wanneer en hoe het terrein is onderhouden.
Op het bedrijfsterrein ligt de verantwoordelijkheid voor veilige arbeidsomstandigheden in de eerste plaats bij de werkgever. De eigenaar of beheerder van een terrein kan daarnaast verantwoordelijkheden hebben voor de veiligheid van bezoekers en andere gebruikers.
Voor openbare wegen, fietspaden en stoepen is meestal de wegbeheerder verantwoordelijk. Dat is vaak de gemeente, maar dit kan ook een andere overheidsorganisatie of private wegbeheerder zijn. De zorgplicht van de wegbeheerder betekent niet dat de weg onder alle omstandigheden volledig sneeuw- en ijsvrij moet zijn. Wel moet de wegbeheerder zich redelijkerwijs inspannen om gevaarlijke situaties te beperken.
Een goede voorbereiding, duidelijke taakverdeling en een controleerbare registratie van de winterdienst helpen om risico’s en discussies achteraf te beperken.
Kan een andere partij de winterdienst uitvoeren?
Ja. Een gespecialiseerd bedrijf of een andere geschikte partij kan de winterdienst geheel of gedeeltelijk uitvoeren.
Leg bij uitbesteding vooraf duidelijke afspraken vast over de te onderhouden gebieden, de momenten waarop controles plaatsvinden en de omstandigheden waarin actie wordt ondernomen. Maak ook afspraken over de gebruikte strooimiddelen, de bereikbaarheid van de uitvoerder, de opvolging van meldingen en de manier waarop controles en werkzaamheden worden geregistreerd.
Het uitbesteden van de uitvoering neemt niet automatisch alle verantwoordelijkheden weg. De werkgever of beheerder moet blijven controleren of de gemaakte afspraken passend zijn en of de noodzakelijke maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd.
Hoe organiseert u een goede weerbewaking?
Een goede winterdienst begint voordat de eerste sneeuw valt. Met actuele weersinformatie en een vaste werkwijze kunt u gladheid eerder signaleren en sneller maatregelen nemen.
Weerbewaking bestaat niet alleen uit het bekijken van een weersvoorspelling. Combineer weersinformatie altijd met een controle van de actuele situatie op het bedrijfsterrein.
Zo bereidt u de winterdienst voor
Volg de weersverwachting voor de regio waarin uw bedrijf gevestigd is. Let vooral op nachtvorst, dalende temperaturen, ijzel, sneeuwval en snel wisselende temperaturen.
Bepaal vooraf bij welke omstandigheden een terreincontrole nodig is. Wijs een verantwoordelijke en een vervanger aan en stel een winterdienstplan op met de belangrijkste loop- en transportroutes.
Controleer voordat het winterseizoen begint of strooibakken, sneeuwschuivers, bezems en andere hulpmiddelen beschikbaar zijn. Spreek af hoe medewerkers gladheid kunnen melden en leg vast wie beslist over sneeuwruimen, strooien, afzetten of omleiden.
Controleer na een strooiactie of het terrein daadwerkelijk veilig begaanbaar is.
Bij bevriezing kan een terrein ook glad worden zonder dat er sneeuw ligt. Regenwater, smeltwater en vochtige oppervlakken kunnen bij dalende temperaturen snel bevriezen. Controleer daarom niet alleen de weersvoorspelling, maar ook de werkelijke toestand van het terrein.
Een lokale inspectie is extra belangrijk bij entrees en deuropeningen, trappen en hellingen, bruggen en looproosters, parkeerplaatsen, laad- en losplaatsen en slecht verlichte routes. Let ook op plaatsen waar regenwater blijft staan en op overgangen tussen binnen- en buitenruimtes.
Wat houden sneeuwruimen en gladheid bestrijden in?
Sneeuwruimen en gladheid bestrijden zijn maatregelen om looproutes, rijroutes en toegangen zo veilig mogelijk te houden. De aanpak hangt af van het soort gladheid, de intensiteit van de neerslag, de temperatuur en het gebruik van het terrein.
Er is in Nederland niet voor ieder privé- of bedrijfsterrein een algemene landelijke regeling met dezelfde strooitijden of dezelfde verplichtingen. Controleer daarom altijd de actuele lokale voorschriften en stem de maatregelen af op de specifieke risico’s op uw terrein.
Wat betekent sneeuwruimen en gladheid bestrijden in de praktijk?
Een goede winterdienst betekent dat u sneeuw zo snel mogelijk verwijdert op veelgebruikte looproutes en gladde plekken behandelt met een geschikt strooimiddel. Houd entrees, trappen, hellingen, nooduitgangen, parkeerplaatsen en laad- en loszones vrij.
Markeer tijdelijke gevaren duidelijk en neem bij aanhoudende sneeuwval of ijzel opnieuw maatregelen. Wanneer een gebied tijdelijk niet veilig kan worden gebruikt, stelt u een alternatieve route in of zet u het gebied af.
De frequentie van controles en maatregelen moet worden afgestemd op de weersomstandigheden en het gebruik van het terrein. Tijdens aanhoudende sneeuwval of ijzel kan het nodig zijn om meerdere keren te ruimen of te strooien.
Waar laat u sneeuw en ijs?
Schuif sneeuw niet op plaatsen waar deze opnieuw gevaar oplevert. Houd bij het kiezen van een tijdelijke opslagplaats rekening met looproutes, rijroutes, parkeerplaatsen, brandweer- en hulpdiensttoegangen, nooduitgangen, vluchtwegen, brandkranen, afvoerputten en zichtlijnen bij uitritten en kruisingen.
Houd ook fietspaden en voetgangersroutes vrij. Sneeuw die voor een ingang, nooduitgang of brandkraan wordt opgestapeld, kan de veiligheid ernstig beperken. Zorg er bovendien voor dat smeltwater niet opnieuw bevriest op een looproute of bij een entree.
Waar moet u nog meer op letten bij het strooien?
Kies een strooimiddel dat geschikt is voor de ondergrond en de weersomstandigheden. Volg de gebruiks- en doseringsinstructies van de leverancier en strooi gericht, zodat u onnodig gebruik voorkomt.
Plaats waarschuwingsborden wanneer de ondergrond tijdelijk nat of glad kan blijven. Zorg dat medewerkers die de winterdienst uitvoeren geschikte werkkleding en veiligheidsschoenen dragen.
Controleer of strooiresten later een nieuw slip- of struikelgevaar vormen en veeg deze resten op zodra de weersomstandigheden dit toelaten. Houd daarbij rekening met mogelijke schade aan planten, bomen, metalen, beton en andere oppervlakken.
Leg uitgevoerde controles en werkzaamheden vast.
Onze praktische tip voor de winterdienst:
Weerbestendige strooibakken op strategische locaties maken de winterdienst eenvoudiger en verkorten de tijd tussen het signaleren en het bestrijden van gladheid.
Plaats strooibakken bijvoorbeeld bij hoofdingangen, parkeerplaatsen, trappen, hellingen, laad- en losplaatsen, personeelsingangen en overgangen tussen gebouwen en buitenterrein.
Zorg ervoor dat de bakken goed bereikbaar, duidelijk herkenbaar en regelmatig gevuld zijn.
Welke strooimiddelen zijn geschikt?
Bij gladheid worden verschillende soorten strooimiddelen gebruikt. De juiste keuze hangt af van de ondergrond, de temperatuur, de hoeveelheid sneeuw of ijs en de omgeving.
In grote lijnen zijn er twee soorten strooimiddelen:
Ontdooiingsmiddelen: deze helpen sneeuw en ijs los te maken of te laten smelten.
Gripverhogende strooimiddelen: deze verbeteren de stroefheid van een glad oppervlak, bijvoorbeeld door zand, grit of granulaat.
Welk strooimiddel moet u gebruiken?
Bij beperkte gladheid kan een gripverhogend strooimiddel zoals grit, zand of granulaat geschikt zijn. Bij ijsvorming of ijzel kan onder bepaalde omstandigheden een dooimiddel nodig zijn.
Houd bij de keuze rekening met de temperatuur, de soort gladheid, de ondergrond, de aanwezigheid van planten en bomen, de nabijheid van oppervlaktewater en de belasting van metalen constructies. Houd daarnaast rekening met de lokale milieuregels en voorschriften.
Verwijder bij sneeuwval eerst zoveel mogelijk sneeuw met een sneeuwschuiver of bezem. Breng daarna een geschikt strooimiddel aan op de resterende gladde plekken.
Gebruik nooit meer strooimiddel dan nodig. Te veel strooimiddel verhoogt de milieubelasting, kan oppervlakken aantasten en zorgt voor extra opruimwerk.
Veilig de winter door met het juiste strooimiddel
Niet ieder strooimiddel is geschikt voor iedere situatie. Controleer daarom altijd de informatie van de leverancier en let op de gebruiksaanwijzing.
Een geschikt strooimiddel past bij de temperatuur en de ondergrond, verhoogt de grip of ondersteunt het dooien en kan gecontroleerd worden toegepast. Daarnaast veroorzaakt het zo min mogelijk schade aan de omgeving en is het veilig op te slaan en eenvoudig beschikbaar te stellen.
Voor trappen, hellingen en druk belopen routes kan een combinatie van sneeuwruimen, strooien, afzetten en waarschuwen nodig zijn.
Denk aan uw omgeving
Strooimiddelen kunnen via smeltwater in de bodem, beplanting en het oppervlaktewater terechtkomen. Gebruik daarom zo weinig mogelijk middel en voorkom dat strooimiddelen zich ophopen rond bomen, plantvakken en groenstroken.
Houd bij de winterdienst ook rekening met de bescherming van planten en bomen, afvoerputten, watergangen, metalen oppervlakken en voertuigen. Plan daarnaast de reiniging van het terrein na de winter en verzamel schoon strooimateriaal waar mogelijk voor hergebruik.
Waar moet u winterdienst uitvoeren?
De winterdienst geldt niet alleen voor het terrein vóór het gebouw. Alle gebieden waar medewerkers, bezoekers, leveranciers of voertuigen gebruik van maken, verdienen aandacht.
Denk aan parkeerplaatsen, voetpaden, bedrijfstoegangen, personeelsingangen, laad- en losplaatsen, trappen, hellingen, doorgangen tussen gebouwen, fietsenstallingen en routes naar afval- en opslaglocaties.
Ook nooduitgangen, vluchtwegen, brandkranen en andere blusvoorzieningen moeten goed bereikbaar blijven.
Maak vooraf een overzicht van de belangrijkste routes en bepaal welke gebieden prioriteit hebben bij sneeuwval of gladheid.
Is er een strooiplicht voor de rijbaan?
Openbare rijbanen vallen meestal onder de verantwoordelijkheid van de wegbeheerder. Dat is doorgaans de gemeente, de provincie, het Rijk of een andere aangewezen beheerder.
Een bedrijf is niet automatisch verantwoordelijk voor iedere openbare rijbaan waaraan het terrein grenst. De situatie kan anders zijn wanneer het gaat om een eigen weg, een private toegangsweg of een terrein dat voor openbaar verkeer toegankelijk is.
Controleer daarom wie de weg beheert, of de toegangsweg openbaar of privé is, welke afspraken met de gemeente of terreinbeheerder gelden en welke lokale voorschriften van toepassing zijn.
Ook wanneer de openbare weg onder de verantwoordelijkheid van een andere partij valt, blijft het belangrijk om de eigen toegangen, overgangen en looproutes veilig te houden.
Wat als uw bedrijf grenst aan een voetgangersgebied?
Wanneer uw bedrijf grenst aan een stoep, voetgangersgebied of fietspad, moet u eerst vaststellen wie verantwoordelijk is voor het betreffende gebied. De regels kunnen per gemeente en situatie verschillen.
Zorg er in ieder geval voor dat sneeuw niet vanuit het eigen terrein op de openbare route wordt geschoven. Houd uitritten en entrees goed zichtbaar en voorkom dat smeltwater naar een looproute stroomt en daar bevriest.
Zorg ervoor dat eigen toegangen en aansluitingen veilig begaanbaar zijn en markeer tijdelijke obstakels duidelijk.
Controleer de lokale regelgeving of neem contact op met de gemeente wanneer niet duidelijk is wie de winterdienst uitvoert.
Er is een brandkraan of noodvoorziening bij uw pand. Waar moet u op letten?
Houd brandkranen, blusvoorzieningen, nooduitgangen, vluchtwegen en andere voorzieningen voor hulpdiensten altijd goed bereikbaar.
Sneeuw, ijs, strooibakken of voertuigen mogen de toegang niet blokkeren. Neem deze voorzieningen daarom op in het winterdienstplan en controleer ze tijdens iedere terreininspectie.
Geldt de verantwoordelijkheid voor veiligheid alleen buiten?
Nee. Ook binnen het gebouw kunnen regen, sneeuw en ijs voor gladheid zorgen. Vocht wordt bijvoorbeeld via schoenen naar binnen gelopen en kan gladde vloeren veroorzaken bij entrees, liften en doorgangen.
Let binnen extra op entreezones, vloeren bij buitendeuren, trappen, hellingen, laad- en losdeuren en overgangszones tussen verschillende vloeroppervlakken. Controleer ook plekken waar smeltwater zich verzamelt.
Plaats waar nodig absorberende inloopmatten of antislipmatten en controleer deze regelmatig. Verwijder vocht en vuil tijdig om slipgevaar te beperken.
Onze antislipmatten bieden het hele jaar door extra grip in entrees, werkplaatsen en andere druk belopen zones.
Vergelijkbare artikelen
De technische informatie op deze pagina is met zorg en naar ons beste weten en overtuiging samengesteld. Niettemin kan DENIOS B.V. geen enkele garantie of aansprakelijkheid aanvaarden, contractueel, rechtmatig of anderszins, voor de actualiteit, volledigheid en correctheid, noch jegens de lezer, noch jegens derden. Het gebruik van de informatie en inhoud voor eigen of derde doeleinden is dan ook voor eigen risico. Neem in ieder geval de plaatselijk en actueel geldende wetgeving in acht.